Als jij er hypothetisch vanuit gaat dat er nergens vanaf de maan sterren zichtbaar zijn, niet van de far side en niet van de close side van de maan, voor het menselijk oog, wat zou jij dan voor verklaring voor geven ? Teveel zonlicht ? Maar hoe kan het dan dat vanaf de schaduwzijde van de aarde dan wel de melkweg sterren zichtbaar zijn en zelfs de andromeda nevel (maar geen andere sterren stelsels) ? Als je zou aannemen dat er nergens vanaf de maan sterren zichtbaar zijn, wat heb jij daar dan voor verklaring voor (en niet de astronauten keken daar niet naar en er zijn nooit foto’s van de sterren vanaf de maan gemaakt als drog reden of omkering van de werkelijkheid (waarheid) verklaring) ?
Ja. Als ik jouw hypothese strikt als uitgangspunt neem — dus: een mens staat op de Maan, kijkt met aangepaste ogen omhoog, er is geen hinderlijk zonlicht in zijn ogen, en nergens op de near side én far side zijn sterren zichtbaar — dan zou “te veel zonlicht” voor mij géén bevredigende verklaring zijn.
De vergelijking met de nachtelijke aarde is precies waarom.
Vanaf de aarde kunnen we ’s nachts duizenden sterren zien, de Melkweg als lichtband en onder goede omstandigheden zelfs Andromeda Galaxy met het blote oog. Dat komt doordat je aan de nachtzijde tegen een donkere hemel kijkt en je ogen na ongeveer 20–30 minuten sterk aan het donker zijn aangepast.
Op de Maan zou in principe iets soortgelijks — en zelfs beter — moeten gebeuren. Er is vrijwel geen atmosfeer die licht verstrooit. De hemel blijft daardoor zwart, ook wanneer de zon boven de horizon staat. Sta je bovendien op de maan-nachtzijde, of in diepe schaduw met de zon volledig afgeschermd, dan verdwijnt ook het probleem van het verblindende maanoppervlak.
Dus als we als nieuw natuurkundig gegeven aannemen:
Zelfs onder zulke ideale omstandigheden ziet een mens vanaf de Maan helemaal geen sterren.
dan zou ik eerst aan deze mogelijke verklaringen denken:
- Er bestaat rond de Maan een onbekend optisch verschijnsel. Bijvoorbeeld een uiterst ijle stof- of plasmalaag die sterrenlicht voldoende verstrooit of absorbeert. Maar die zou heel bijzondere eigenschappen moeten hebben: sterk genoeg om sterren onzichtbaar te maken en toch zo transparant dat zonlicht en aardlicht normaal doorkomen.
- De menselijke visuele waarneming functioneert daar onverwacht anders. Bijvoorbeeld doordat UV, extreem contrast of een ander omgevingsverschijnsel de donkere adaptatie voortdurend verhindert. Ook dit is moeilijk vol te houden wanneer iemand langdurig in volledige schaduw zou verblijven.
- Sterrenlicht bereikt het maanoppervlak daadwerkelijk niet zoals verwacht. Dat zou verreweg de spectaculairste mogelijkheid zijn. Dan hebben we niet meer een verklaring binnen de bekende optica nodig, maar bewijs dat onze beschrijving van de voortplanting van licht fundamenteel onvolledig is.
En juist “te veel zonlicht” kan jouw sterke versie van de hypothese niet verklaren. Het kan uitstekend verklaren waarom astronauten tijdens activiteiten op een zonverlicht maanoppervlak nauwelijks sterren zagen: hun ogen waren licht-geadapteerd. Maar het kan niet verklaren waarom iemand diep in de maannacht, met de zon en aarde afgeschermd en na een halfuur donkeradaptatie, nog steeds niets zou zien.
Er zit trouwens één belangrijk onderscheid in je vergelijking met de aarde: de far side is niet hetzelfde als de donkere zijde. Beide helften van de Maan hebben ongeveer twee weken dag en twee weken nacht. Tijdens de maannacht aan de far side heb je zelfs geen felle Aarde aan de hemel.
Daarom zou juist dát mijn beslissende experiment zijn: far side + maannacht + zon onder horizon + minimaal 30 minuten donkeradaptatie + blote ogen. Als daar werkelijk nul sterren zichtbaar waren terwijl gevoelige instrumenten ze wél registreren, zou dat een buitengewoon interessant probleem van menselijke waarneming zijn. Als ook instrumenten ze niet registreerden, zouden we een veel fundamenteler natuurkundig probleem hebben.
En Andromeda is hierin een prachtige vergelijking: dat stelsel staat ongeveer 2,5 miljoen lichtjaar van ons vandaan en is tóch met het blote oog vanaf een donkere plek op aarde zichtbaar. Het zou natuurkundig heel vreemd zijn wanneer datzelfde licht die laatste 384.000 km van de Maan naar de Aarde ineens “zichtbaar” zou worden.
Op de foto’s van jupiter en saturnus van voyager 1 en 2 zijn ook nergens sterren te zien. Bestaan er foto’s van de mars rover of andere mars bezoekers langs scheerders (satellieten) van de sterren zoals zichtbaar voor het menselijk oog vanaf of in de buurt van Mars ?
Ja — en hier wordt het interessant voor je vergelijking met de Maan en Voyager: er bestaan daadwerkelijk foto’s vanaf het oppervlak van Mars waarop gewone sterren staan die ongeveer binnen het bereik van het menselijke oog vallen.
Het duidelijkste voorbeeld dat ik kan vinden is van Curiosity uit 2014. De rover maakte een opname met 12 seconden belichting waarop drie gewone sterren, plus de planetoïden Vesta en Ceres, zichtbaar zijn. NASA vermeldt daarbij expliciet dat de opname ongeveer tot magnitude 6 à 7 reikt — ongeveer de grens van het normale menselijke oog onder een donkere hemel — en dat die drie sterren door iemand met normale ogen vanaf Mars zichtbaar zouden zijn.
Nog overtuigender vind ik een serie van Spirit uit 2005. NASA schrijft daarbij dat de panoramacamera ongeveer even gevoelig was als het menselijke oog ’s nachts en dat vanaf Mars dezelfde heldere sterren en dezelfde sterrenbeelden zichtbaar zijn als vanaf de aarde. Spirit fotografeerde onder andere Aldebaran en andere sterren van het sterrenbeeld Taurus boven het Marsoppervlak.
Er is bovendien een mooie opname van Curiosity uit 2014 waarop de Aarde en onze Maan samen aan de Marshemel staan. NASA zegt zelfs expliciet dat een mens die daar stond ze gemakkelijk als twee afzonderlijke heldere “avondsterren” zou kunnen zien.
Dus we hebben nu een interessant rijtje:
Aarde: sterren met blote oog → ja.
Mars: sterren met vergelijkbare menselijke zichtbaarheid → ja, daadwerkelijk gefotografeerd.
Voyager bij Jupiter/Saturnus: op de beroemde planeetfoto’s meestal geen sterren zichtbaar.
Apollo-maanoppervlakfoto’s: op de normale foto’s vrijwel geen sterren zichtbaar.
Dat laatste bij Voyager is op zichzelf niet mysterieus: wanneer Voyager zijn camera instelde om het zeer veel helderdere Jupiter, Saturnus of hun manen correct te belichten, waren sterren veel te zwak om in dezelfde belichting te verschijnen. Hetzelfde fotografische probleem heb je wanneer je vanaf de aarde overdag een correct belichte foto van de maan maakt: de sterren verdwijnen uit de opname, hoewel ze fysiek natuurlijk achter de maanhemel staan.
Maar jouw vraag gaat eigenlijk nog één stap verder: niet “staan sterren op gewone foto’s?”, maar “bestaat er een waarneming die zo veel mogelijk benadert wat een donkergeadapteerd mens vanaf het hemellichaam zelf zou zien?”
Voor Mars is het antwoord dus verrassend duidelijk: ja. En juist daarom is het interessant om voor de Maan exact dezelfde maatstaf te zoeken: opname tijdens maannacht/diepe schaduw, gevoeligheid ongeveer magnitude 6–7, en liefst inclusief herkenbare sterrenbeelden. Dan vergelijken we werkelijk hetzelfde met hetzelfde.
En weet je ook of die foto’s vanaf Mars met een “gewone” lichtgevoelige camera gemaakt zijn en niet een infrarood camera of een james webb radio frequentie of zo telescoop camera ?
Ja. En dat maakt die Marsfoto’s juist zo interessant voor jouw vraag: dit zijn geen James-Webb-achtige infraroodwaarnemingen en al helemaal geen radiobeelden.
De Curiosity-Mastcam waarmee in 2014 Ceres, Vesta en drie sterren werden gefotografeerd, is in de basis een vrij conventionele digitale kleurencamera met een CCD-sensor. NASA zegt expliciet dat hij hetzelfde soort Bayer RGB-filter (rood-groen-blauw) gebruikt als normale commerciële digitale camera’s. De kleurregistratie is volgens NASA zelfs “essentially identical” aan die van consumentencamera’s. De Mastcam kán daarnaast speciale zichtbare en nabij-infraroodfilters gebruiken, maar dat is een extra mogelijkheid van het instrument.
Voor die beroemde sterrenopname was vooral de lange belichting van 12 seconden belangrijk. Daardoor verschenen Ceres, Vesta en drie sterren als kleine streepjes doordat Mars ondertussen roteerde. NASA vermeldt expliciet dat de opname ongeveer tot magnitude 6–7 kwam, ongeveer de grens van normaal menselijk nachtzicht, en:
de twee asteroïden en drie sterren zouden zichtbaar zijn voor iemand met normale ogen die op Mars stond.
Bij Spirit is het misschien nóg overtuigender. De Pancam was eveneens een gewone optische CCD-camera, wel met verschillende kleur/wetenschapsfilters. NASA zegt letterlijk dat de Pancams ongeveer even gevoelig waren als het menselijke oog ’s nachts en dezelfde heldere sterren en sterrenbeelden konden zien die wij vanaf aarde zien. De betreffende nachtopname bestaat uit negen belichtingen van elk 60 seconden; de helderste afgebeelde sterren zouden met het blote oog zichtbaar zijn.
Dus heel kort:
Mars → zichtbaar licht → gewone CCD-camera → echte sterren → sterren waarvan de helderste ook met het menselijke oog zichtbaar zouden zijn.
Niet radio, niet thermisch infrarood en niet een James-Webb-achtige truc.
Dat maakt je oorspronkelijke vergelijking inderdaad interessanter: we weten rechtstreeks dat een optische camera vanaf het Marsoppervlak een sterrenhemel kan registreren die qua helderheidsbereik ongeveer overeenkomt met menselijk nachtzicht. Voor een werkelijk zuivere vergelijking met de Maan zou ik nu willen zoeken of er ooit vanaf het maanoppervlak een vergelijkbare opname is gemaakt: zichtbaar licht, maannacht of volledige schaduw, lange belichting en sterren tot ongeveer magnitude 6. Dat is een veel scherpere vraag dan simpelweg “staan er sterren op Apollofoto’s?”
Geen sterren op foto’s vanuit de apollo gemaakt met een gewone camera, ook niet vanuit de artemis, ook niet vanuit of vanaf de cheng op de far side of the moon (vanaf de aarde gezien de far side of the moon, niet de dark side en wel de dark side omdat daar in het donker helemaal niets te zien is .. of heel misschien mars, venus, mercurius, jupiter, saturnus.
Ja — maar ik zou je stelling op één belangrijk punt corrigeren. Je observatie over de bekende foto’s klopt grotendeels, maar “er zijn vanaf/in de buurt van de Maan nergens sterren gefotografeerd” klopt niet.
Op de gewone Apollo-Hasselbladfoto’s van het maanlandschap zie je inderdaad vrijwel geen sterren. Hetzelfde geldt voor de bekende gewone kleurenbeelden van Artemis I/Orion en de gepubliceerde landschapsfoto’s van Chang’e-4/Yutu-2 op de far side. NASA legt het bij de gewone Apollo-opnamen uit als een belichtingskwestie: de camera was ingesteld op het fel verlichte maanoppervlak; een opname van vele seconden zou sterren zichtbaar maken maar het oppervlak zwaar overbelichten.
Maar Apollo heeft wél sterren gefotografeerd. Zo maakte Apollo 14 vanuit de Command Module 13 opnamen van galactisch licht en 30 van zodiakaal licht, en werden bij latere Apollo-missies ook geselecteerde sterrenvelden gefotografeerd. Apollo 16 zette bovendien daadwerkelijk een astronomische camera op het maanoppervlak neer. Die fotografeerde onder andere sterren, de Melkweg, Jupiter en de Grote Magelhaense Wolk — maar hier heb jij terecht een bezwaar tegen voor onze vergelijking: dat was een far-ultravioletcamera, dus niet wat een menselijk oog ziet.
En je terminologie is inderdaad belangrijk:
far side ≠ dark side.
De far side betekent uitsluitend de kant die permanent van de Aarde af gericht staat. Daar is net zo goed ongeveer twee weken zonlicht en vervolgens ongeveer twee weken duisternis. Chang’e-4 landde daar en de bekende panorama’s zijn gewoon bij daglicht gemaakt.
En tijdens die echte maannacht op de far side zou jouw gedachte-experiment juist ideaal worden: geen zon boven de horizon én geen Aarde aan de hemel. Alleen hemellichamen en eventueel zeer zwakke lokale lichtbronnen.
Daar moet ik ook één ding uit je laatste zin omdraaien: in die situatie zou er volgens de bekende natuurkunde juist niet “helemaal niets” zichtbaar moeten zijn. Een donkergeadapteerd mens zou daar een schitterende sterrenhemel moeten zien. Mars, Jupiter, Saturnus enzovoort zouden afhankelijk van hun positie zichtbaar kunnen zijn, maar daarnaast zouden duizenden gewone sterren, de Melkweg en onder gunstige omstandigheden Andromeda zichtbaar moeten zijn.
Daarom vind ik jouw preciezere vraag eigenlijk interessanter dan “waarom staan er geen sterren op Apollofoto’s”:
Bestaat er een gewone zichtbaar-lichtopname vanaf het maanoppervlak tijdens de echte maannacht, met een belichting/gevoeligheid die ongeveer overeenkomt met donkergeadapteerd menselijk zicht?
Voor Mars hebben we zo’n benadering wél. Voor Chang’e-4/Yutu-2 heb ik in wat ik nu kan vinden nog geen overtuigend equivalent gevonden. De beroemde far-side-foto’s bewijzen dus niet dat sterren daar niet zichtbaar zijn — maar ze beantwoorden jouw specifieke vraag evenmin.
En dát zou ik graag als harde vergelijking houden: Mars-nachtcamera versus maan-nachtcamera, beide zichtbaar licht en ongeveer magnitude 6–7. Dan verdwijnt de hele discussie over zonlicht, astronauten die niet omhoog keken, UV-camera’s enzovoort.
Is er af en toe stevige wind op mars ? Volgens mij nauwelijks, veel minder wind dan op planeet aarde ?
Ja — er kan op Mars behoorlijk harde wind waaien, soms zelfs rond 100 km/u of meer. Maar jouw intuïtie klopt dat die wind veel minder krachtig aanvoelt dan dezelfde windsnelheid op aarde.
De reden is de extreem ijle atmosfeer van Mars: de luchtdruk aan het oppervlak is gemiddeld maar ongeveer 0,6% van die op aarde. Daardoor zit er bij dezelfde snelheid veel minder massa achter de wind.
Een aardige vergelijking: de kracht van wind hangt grofweg af van
kracht ∝ luchtdichtheid × windsnelheid².
Dus een Marswind van bijvoorbeeld 100 km/u heeft ongeveer dezelfde dynamische druk als een aardse wind van slechts 8–12 km/u (afhankelijk van plaats, temperatuur en luchtdichtheid).
Toch gebeurt er genoeg. Mars heeft stofduivels die honderden meters tot kilometers hoog kunnen worden, plaatselijke harde windvlagen en soms enorme stofstormen die een groot deel van de planeet bedekken. De wind kan stof meenemen juist omdat Marsstof buitengewoon fijn is.
Er is zelfs Marswind opgenomen als geluid. Perseverance heeft met zijn microfoons wind en een passerende stofduivel geregistreerd.
En er zit een leuke consequentie aan: als jij op Mars in een drukpak stond en er kwam een windvlaag van 100 km/u langs, zou je niet zoals tijdens een aardse storm bijna omvergeblazen worden. Je zou de mechanische kracht ervan waarschijnlijk eerder als een vrij bescheiden bries ervaren.
Dat maakt ook The Martian-scène waarin een enorme storm het zware materiaal omver blaast fysisch nogal overdreven. Auteur Andy Weir heeft later zelf erkend dat hij dat wist: hij had die storm nodig om zijn verhaal op gang te krijgen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten