Ja — jouw schets raakt aan twee serieus onderzochte ideeën: een multi-rotor wind turbine (meerdere rotoren aan één draagconstructie) en airborne wind energy (een vlieger/wing aan een kabel). Het interessante is dat jouw idee technisch helemaal niet gek is; het probleem zit vooral in kosten per geproduceerde kWh, krachten op de constructie en de locatie.
Neem als gedachte-experiment jouw toren van 150 meter met vier turbines van elk ongeveer 20 meter rotordiameter. Vier van zulke rotoren hebben samen circa 1.250 m² rotoroppervlak. Bij behoorlijke wind op 150 meter hoogte kan zo’n installatie ruwweg 400–600 kW nominaal vermogen krijgen. Bij bijvoorbeeld 25% capaciteitsfactor kom je met 400 kW uit op ongeveer:
400 kW × 8.760 uur × 0,25 ≈ 876.000 kWh per jaar.
Dat is helemaal geen verwaarloosbare hoeveelheid. Bij een elektrische auto die ongeveer 15 kWh/100 km gebruikt en 15.000 km per jaar rijdt, is dat theoretisch genoeg elektriciteit voor bijna 400 auto’s per jaar. Er moet uiteraard een netaansluiting/batterij tussen, omdat de auto’s niet precies komen laden wanneer het waait.
Het zwakke punt van je tekening is waarschijnlijk niet de vier turbines maar die enorme toren. Een gewone moderne windturbine gebruikt óók ongeveer zulke hoogtes, maar één grote rotor levert veel meer vermogen. Ter vergelijking: moderne landturbines van enkele MW hebben rond 100–140 meter ashoogte. Voor commerciële windparken rekent NREL voor recente technologie grofweg rond $1.300–1.600 per geïnstalleerde kW, maar dat zijn grote projecten met schaalvoordelen. Een eenmalige 150-meter constructie bij een benzinestation zou per kW aanzienlijk duurder worden.
Daar komt nog iets belangrijks bij: vier rotor-nacelles geven vier verschillende periodieke krachten op dezelfde mast. Je krijgt buiging, torsie, trillingen, kabels, vier tandwielkasten/generatoren, vier remsystemen en veel meer onderhoudspunten. De mast moet dus zwaarder worden dan alleen zijn hoogte doet vermoeden.
En precies jouw gedachte — misschien kun je de dure mast delen tussen veel kleinere rotoren — is al uitgebreid onderzocht. Dat heet multi-rotor wind energy. Een zeer recente review uit 2026 concludeert dat het idee theoretische voordelen heeft, maar dat de gemelde kostenbesparingen nogal uiteenlopen en dat overtuigend bewijs dat multi-rotors uiteindelijk een lagere stroomprijs geven nog ontbreekt. Dat verklaart waarschijnlijk waarom we niet overal zo’n soort “windboom” zien staan.
Acht turbines aan één toren zou ik daarom nog minder aantrekkelijk vinden dan vier. Niet omdat het onmogelijk is, maar omdat je waarschijnlijk steeds meer staal, verstevigingen en onderhoud toevoegt terwijl de rotoren elkaar aerodynamisch beginnen te beïnvloeden. Eén rotor van bijvoorbeeld 1–3 MW bovenaan dezelfde mast is dan gewoonlijk economischer.
Je andere idee — de vlieger — wordt interessanter. Airborne wind energy probeert precies de duurste onderdelen van een windturbine weg te gooien: de gigantische toren en vaak ook de zware rotor. Een vliegende vleugel trekt aan een kabel en produceert elektriciteit via een generator op de grond, of draagt zelf kleine generatoren. Omdat hij zijn hoogte kan aanpassen, kan hij bovendien zoeken naar sterkere wind. Onderzoek laat inderdaad zien dat het windaanbod op grotere hoogte gunstiger kan zijn.
Maar ik zou helium niet als eerste keuze nemen. Een bestuurbare vlieger kan aerodynamische lift produceren zonder voortdurend helium bij te vullen. Een helium-aerostat moet groot zijn, heeft veel luchtweerstand, moet stormen overleven en verliest langzaam helium. Airborne-windsystemen zijn bovendien nog niet op het volwassenheidsniveau van gewone windturbines; een recente technische review noemt nog forse engineeringuitdagingen.
En nu komt de misschien verrassende conclusie voor jouw benzinestationidee:
Benzinestation langs snelweg: zonnepanelen op grote overkapping + net + batterij zijn waarschijnlijk goedkoper; eventueel één conventionele windturbine als de locatie geschikt is.
Vrijstaand industrieterrein: jouw 150-m multi-rotor is technisch denkbaar, maar waarschijnlijk verslaat één grotere rotor hem economisch.
Midden in de stad: niet erg aantrekkelijk. Gebouwen zorgen voor lagere gemiddelde windsnelheden én sterke turbulentie, waardoor kleine turbines minder opbrengst hebben en harder slijten. Dat probleem is in onderzoek heel duidelijk gevonden.
Airborne vlieger: potentieel juist interessant op open land, kust, zee of een zeer groot industrieterrein — maar niet boven een benzinestation of woonwijk, vanwege de bewegende kabel en benodigde veiligheidszone.
Dus als ik jouw tekening voor een praktische pilot 2027–2030 mocht aanpassen, zou ik niet beginnen met 8 turbines. Ik zou kiezen voor één 100–300 kW multi-rotorproef met 3 of 4 relatief lichte rotoren op één bestaande hoge constructie, en hem rechtstreeks vergelijken met één conventionele rotor en één airborne-wing systeem op dezelfde locatie.
En dan één getal dat alles beslist:
€ investering + 20 jaar onderhoud / totale geproduceerde kWh.
Mijn voorlopige rangorde per goedkope kWh zou zijn:
grote gewone windturbine → 3/4-rotor gedeelde mast → airborne kite → 8 kleine turbines op 150 m → helium-windturbine.
Maar: jouw gedachte “waarom vier generatoren niet één toren laten delen?” is bepaald geen onzin. Onderzoekers onderzoeken diezelfde vraag nog steeds — er verscheen nota bene in 2026 nog een complete wetenschappelijke review over.
Als je wilt, kan ik hierna jouw exacte 150-meter-tekening doorrekenen in euro’s, bijvoorbeeld 4 × 100 kW versus 1 × 500 kW versus een 500-kW-vlieger, inclusief geschatte jaarlijkse kWh en kosten per kWh. Dat wordt een leuke vergelijking.
Graag het verschil tussen 30 miljard eur voor 2 kernenergiecentrales (over 25 jaar gereed als het slecht is, veel duurder in het onderhoud en toekomstige generaties 1000en jaren opzadelen met het gevaarlijkste afval), 30 miljard eur voor de modernste windturbines op zee en op land met elestor batterijen (en versterkt elektriciteitsnet, zoals dat ook nodig is voor 2 kernenergiecentrales) en 30 miljard eur voor 150 meter hoge torens OF met draagvliegers met dezelfde veiligheid OF 30 miljard op flatgebouwen met zonne panelen, wat is dan de beste optie ? Als je een tabel gebruikt voor het overzicht, graag een compacte van maximaal 10 centimeter breed.
Ja. Als we €30 miljard als éénzelfde pot geld nemen, zou ik op basis van de huidige kosten en techniek niet voor twee nieuwe kerncentrales en ook niet voor €30 miljard aan experimentele 150-m-multirotortorens of vliegers kiezen. De sterkste investering lijkt mij een combinatie van bestaande windtechniek + veel zon op bestaande gebouwen + netverzwaring + opslag/flexibiliteit.
Wel één belangrijke correctie vooraf: de Nederlandse raming van €20–30 miljard voor twee kerncentrales is exclusief financieringskosten/rente. De centrales zouden samen 2,1–3,3 GW groot zijn. Het kabinet noemt eind jaren 2030 als mogelijke ingebruikname van de eerste centrale, dus 25 jaar is een denkbaar slecht scenario maar niet de officiële planning (ZOVEELSTE PVVD66CDA CU LEUGEN, sinds balknndeverhagen en vooral mark rutte is het PATHOLOGISCH LIEGEN. Ter vergelijking: Hinkley Point C, eveneens twee grote EPR-reactoren en 3,3 GW, staat inmiddels op circa £35 miljard in prijzen van 2015 (huizenprijzen 25% duurder sinds die tijd, zoals bijna alles, aandelen ook 25% duurder, de holle lege geen echte waarde bitcoin 25% duurder sinds 2015, met reactor 1 voorzien voor 2030/31.
Mijn grove vergelijking — geen offerte maar een orde-van-grootteberekening — wordt dan:
|
€30 mld naar…
|
Stroom/jaar*
|
Mijn oordeel
|
|
2 × kern
|
17–26 TWh
|
★★☆
|
|
wind + net + opslag
|
±30–35 TWh
|
★★★★★
|
|
zon op gebouwen + net/opslag
|
±25–35 TWh
|
★★★★☆
|
|
150 m multi-rotor
|
onbekend
|
★★☆☆☆
|
|
windvliegers
|
onbekend
|
★★☆☆☆
|
*Indicatieve productie vóór alle systeemverliezen; opslag maakt geen extra stroom, maar verschuift productie naar het moment waarop die nodig is.
Waarom wind hier zo sterk uitkomt
IRENA rapporteert voor in 2024 gebouwde installaties gemiddeld ongeveer $1.041/kW voor wind op land en $2.852/kW voor offshore wind. Nieuwe Europese offshoreparken haalden gemiddeld ongeveer 48% capaciteitsfactor.
Stel bijvoorbeeld:
€4 mld wind op land + €16 mld wind op zee + €5 mld net + €5 mld opslag/flexibiliteit.
Heel grof levert €4 miljard dan ongeveer 3–4 GW landwind en €16 miljard ongeveer 5–6 GW zeewind op. Met Nederlandse/Europese windcondities kom je rond 30–35 TWh per jaar uit. Dat is al ongeveer dezelfde of hogere jaarlijkse productie dan twee grote kernreactoren, terwijl je de eerste delen binnen enkele jaren kunt opleveren en vervolgens modulair kunt uitbreiden.
Nederland heeft bovendien fysiek veel offshorepotentieel: het kabinet heeft in 2026 extra gebieden aangewezen waar indicatief nog eens 21 GW wind op zee kan komen, bovenop eerder aangewezen capaciteit.
Zonnepanelen op flatgebouwen vind ik óók bijzonder aantrekkelijk
Hier was ik zelf enigszins verrast door de huidige cijfers. PBL rekent voor grote gebouwgebonden PV in 2026 met ongeveer €509 per kWp en circa 840 vollasturen per jaar.
Als je bijvoorbeeld van €30 miljard:
€20 miljard zonnepanelen + €5 miljard net + €5 miljard opslag/flexibiliteit
maakt, correspondeert €20 miljard theoretisch met bijna 40 GWp grote gebouwgebonden PV. Dat zou ruwweg 33 TWh/jaar produceren.
In de praktijk kun je natuurlijk niet zomaar 40 GWp uitsluitend op Nederlandse flatgebouwen kwijt. Maar als je woningen, flats, bedrijfshallen, scholen, parkeergarages, stations enzovoort meeneemt, is het fysieke potentieel enorm. Een eerdere PBL-inventarisatie vond ongeveer 66 GW aan geschikt Nederlands dakpotentieel; huidige panelen zijn bovendien efficiënter geworden.
En zonnepanelen hebben een voordeel dat mijn tabel niet laat zien: een dak bestaat al. Geen extra 150-meterfundering, geen groot rotorblad, geen enorme mast en nauwelijks bewegende onderdelen.
En jouw toren met vier of acht rotoren?
Die zou ik juist niet afschrijven, maar er €30 miljard aan besteden zou nu een enorme gok zijn.
De grote wetenschappelijke overzichtsstudie uit 2026 zegt iets opvallends: multi-rotors zouden door gunstige schaaleffecten inderdaad goedkoper kunnen worden dan één gigantische rotor, maar de empirische gegevens zijn nog onvoldoende en de gepubliceerde LCOE-besparingen zijn inconsistent.
Dus eerder:
€30–100 miljoen onderzoeksprogramma → 5 à 10 echte torens → vijf jaar meten → daarna beslissen.
Niet meteen 30 miljard.
Voor de draagvlieger geldt dat nog sterker. Op open zee of uitgestrekt land vind ik het een fascinerende kandidaat omdat je honderden meters staal kunt uitsparen. Maar dezelfde veiligheid halen als een normale turbine betekent grote vrije zones voor kabel, vlieger, storm, noodlanding enzovoort. Boven een stad of vlak naast tank-/laadstations lijkt dat juist ongunstig.
En kernenergie?
Kernenergie heeft één groot voordeel dat wind en zon afzonderlijk niet hebben: ze kan dag en nacht vrij constant produceren. Een systeemvergelijking moet dat voordeel eerlijk meetellen. Wind en zon vereisen opslag, verbindingen, vraagsturing en andere regelbare bronnen.
Maar omgekeerd heeft kernenergie nadelen die een simpele €/kWh-vergelijking eveneens mist: zeer hoge kapitaalkosten vooraf, financieel risico bij vertraging, lange bouwtijd, ontmanteling en hoogradioactief afval dat gedurende zeer lange perioden geïsoleerd moet worden. Het is overigens niet helemaal juist dat alle nucleaire afval duizenden jaren even gevaarlijk blijft; vooral gebruikte splijtstof/hoogradioactief afval vereist geologische isolatie op zeer lange tijdschalen.
Daarom zou ik met jouw €30 miljard ongeveer dit doen:
€12 mld wind op zee
€4 mld wind op land
€5 mld zon op daken/gevels
€5 mld elektriciteitsnet
€3 mld opslag + vraagsturing
€1 mld nieuwe technieken, waaronder Elestor, multi-rotor, airborne wind en andere langetermijnopslag.
Dat laatste miljard vind ik belangrijk. Niet zeggen “de vlieger werkt vast niet”, maar 1000 keer goedkoper uitzoeken dan er meteen €30 miljard op inzetten.
Mijn rangorde wordt daardoor:
1. Wind + zon + net + opslag
2. Zon maximaal op reeds bebouwd oppervlak
3. Conventionele grote windturbines
4. Multi-rotor/airborne eerst grootschalig demonstreren
5. Twee nieuwe grote kerncentrales als besteding van specifiek deze €30 miljard
En misschien het interessantste getal uit deze vergelijking: met dezelfde €30 miljard kun je bij redelijke aannames nu al richting 30–35 TWh hernieuwbare elektriciteit per jaar bouwen, tegenover grofweg 17–26 TWh/jaar voor de twee beoogde kernreactoren — terwijl die €20–30 miljard nucleaire raming de financieringskosten nog niet eens bevat.